web analytics

Verslag van een reis naar Kaapverdië

Guus Peterse schreef

Kaapverdië, 21 juli t/m 10 augustus 2015

Afgelopen juli en augustus was ik drie weken in Kaapverdië. Het was een (on)gewone familievakantie, niet speciaal gericht op vogels. Maar uiteraard heb ik ook volop gevogeld. Weinig vogels gezien, eerlijk gezegd, maar die ik zag waren wel erg leuk. Visarenden foerageerden veelvuldig langs de kust en boven zee, overal in het bergland doken bruinnekraven op, de gierzwaluwen waren net even anders dan de onze, en er waren mussen, heel veel mussen.


Mussen

We waren nog maar enkele uren eerder gearriveerd en hadden de nacht doorgebracht op het vliegveld van Sal, een soort overdekte winkelstraat met aan de ene kant een lege aankomsthal en aan de andere een lege vertrekhal en de hele nacht door een paar bewakers en schoonmakers, toen ik bij het eerste ochtendlicht voor het eerst Afrikaanse bodem betrad. Van alle kanten klonk een musachtig getsjilp en al gauw had ik een vogel gevonden: kaapverdische mus.
Kaapverdische mus was mijn eerste vogel op Kaapverdië, en het moet er zowat ook wel mijn laatste zijn geweest. (Of waren dat toch de bruinnekraven uit de auto op weg naar het vliegveldje van São Vicente?) Verrassend was dat niet: kaapverdische mussen heb je in Kaapverdië overal. Echt overal. In de stad, hoog in de bergen, in de steenwoestijnen die glooien aan de voet van de bergen, aan zee en in de schaarse begroeide stukjes die hier en daar opduiken in de lagere delen, overal kaapverdische mussen. Verwacht je een klauwier, krijg je kaapverdische mus. Verwacht je een leeuwerik, krijg je kaapverdische mus. Waar je in een ander land een tapuit zou verwachten, of een roodstaartje: kaapverdische mus.
Jaren geleden leerde ik tijdens mijn studie over de eilandtheorie en Kaapverdië is voor die theorie een perfecte illustratie. De Kaapverdische eilanden zijn vulkanische eilanden. Ooit zijn ze als het ware uit zee verrezen en aanvankelijk leefde daar dus helemaal niets. Al het leven er is van het vasteland komen aanwaaien, vliegen of zwemmen. En de eilandtheorie leerde destijds (en het is zo voor de hand liggend allemaal dat er intussen vast niet veel aan veranderd zal zijn) dat het aantal soorten dat op zo’n eiland leeft, afhankelijk is van de afstand tot het vasteland en van de grootte van het eiland. Hoe verder van het vasteland, hoe minder soorten er op het eiland terecht zijn gekomen en hoe kleiner het eiland, hoe minder er zich hebben kunnen handhaven. Ofwel: hoe verder van het vasteland en hoe kleiner het eiland, des te minder soorten kun je er verwachten.
De Kaapverdische eilanden zijn meest betrekkelijk klein, de grootste zijn amper twee keer Texel, en ze liggen tamelijk ver van het Afrikaanse vasteland af. Je mag dus weinig soorten verwachten, en klopte. In drie weken tijd kwam ik tot niet meer dan 35 soorten vogels. In Nederland spaar je die gemakkelijk in een middagje bij elkaar. Ik klaag daar overigens niet over want wat er wel zit is vanuit mijn West-Europees perspectief vrijwel altijd bijzonder. Maar het is natuurlijk bar weinig. En dat zijn dan nog vogels, die kunnen vliegen. Zoogdieren bijvoorbeeld kunnen niet vliegen en die zijn er hier dan ook nauwelijks, afgezien van de talloze geiten die overal het land kaalvreten, maar die zijn hier door de mens gebracht. Slangen schijnen hier helemaal niet voor te komen, hagedissen en dergelijke ook vrijwel niet. Het gevolg is dat hier lang niet alle open plekken, lang niet alle niches die het landschap biedt, door een aparte soort worden ingenomen. Er ontbreekt gewoon van alles, niet omdat er geen geschikt biotoop is, maar simpelweg omdat het nooit de eilanden heeft bereikt. En het lijkt erop dat de kaapverdische mus veel van die openstaande niches heeft ingenomen.
Grappig is dat-ie in zijn vocale uitingen bijna net zo veelzijdig is als in zijn biotoopkeuze. Meestal klinkt-ie wel als een wat afwijkende mus, maar soms denk ik iets leeuwerikachtigs te horen en dat blijkt dan toch een kaapverdische mus. Soms hoor ik een snel gekwetter dat doet denken aan van die mediterrane grasmusjes: kaapverdische mus. En ook als je schelle fluittonen hoort of schor geratel, schrik niet, meestal is het een kaapverdische mus.


Endemen

Kaapverdische mus is één van de endemen van Kaapverdië: soorten die alleen op de eilanden voorkomen.
Kaapverdië staat bekend om zijn endemen. Niet erg verrassend, gezien hun geïsoleerde ligging. Het is natuurlijk ook makkelijk endemen scoren als je zowat alle kaapverdische varianten van wereldwijde soorten gaat afsplitsen als aparte soort. Meestal leveren ze dan ook niet de meest onvergetelijke belevenissen op. Ze lijken teveel op hun ‘moedersoorten’ om het gevoel te krijgen dat je naar iets nieuws kijkt. Zie bijvoorbeeld de kaapverdische buizerds boven de bergen van Santo Antão: relevante kenmerken waren er niet aan te zien. Daarvoor zaten ze sowieso te hoog maar eerlijk gezegd lijkt me dat, ook gezien de variatie van ‘onze eigen’ buizerden, onder alle omstandigheden een hele toer. Maar toch: buizerds, en erg talrijk waren die in Kaapverdië niet. Wij hadden ze alleen op Santo Antão.
Zo heb je ook de ook kaapverdische pijlstormvogels. Die waren natuurlijk prachtig, maar niet omdat het kaapverdische waren maar omdat het pijlstormvogels waren.
En dan had je nog de kaapverdische gierzwaluwen: ja, aan de naam kun je het eigenlijk al aflezen. Ook de kaapverdische gierzwaluw komt alleen in Kaapverdië voor. Die zijn overigens, bij een goede blik, wel degelijk herkenbaar. Om te beginnen maken ze een ander geluid, al is het altijd weer lastig uit te leggen hoe dan. Maar ze zijn ook zichtbaar wat kleiner, wat compacter en ook wat grijzer dan onze gierzwaluwen.
En laat ik de torenvalken hier niet onvermeld laten. Die waren zwaar gebandeerd op de bovendelen en zwaar gestreept op de onderdelen, terwijl het bruin op de rug veel grauwer, veel kouder van kleur was dan we in Nederland kennen. Ondersoort neglectus, endemisch op enkele van de eilanden hier. De Helm Field Guide Birds of the Atlantic Island, kortweg Helm, zegt daar onder andere over: ‘more like a merlin than a common kestrel’. En inderdaad: ik vond ze wat gedrongener, met kortere en puntiger vleugels, dan onze torenvalken.
Op de oostelijke eilanden heb je overigens weer een andere ondersoort: de alexanders torenvalk. De torenvalk die ik ’s ochtends vroeg op Sal zag, moet er een geweest zijn. Maar daar heb ik zo weinig aan gezien, dat die het tellen niet waard is.
Ook een paar interessante endemen gemist natuurlijk, want we zijn lang niet overal geweest. Diep in de Monte Gordo op São Nicolau zouden een paar jongetjes ons de kaapverdische rietzanger wijzen. Althans, dat begreep ik. Het was echter niet de kaapverdische rietzanger die ik te zien kreeg, endemisch voor Kaapverdië en op slechts twee van de eilanden aanwezig, maar een fraaie man brilgrasmus. De teleurstelling was van korte duur want op slechts enkele meters afstand een vogel die eigenlijk veel mooier is dan de kaapverdische rietzanger, daar kon ik mee leven.
De ultieme endeem is natuurlijk de soort die alleen op dat ene eiland voorkomt. Daarvan heeft Kaapverdië er, wat de vogels betreft, ook een: de razoleeuwerik. Die komt alleen op het eiland Razo voor. Wij zijn daar niet geweest, dus dan weet je het wel: voor ons geen razoleeuwerik. Lijkt me ook maar een saai beest.


Roodsnavelkeerkringvogels

Op São Vicente was mijn favoriete wandeling die naar een uitkijkpost aan zee een kleine drie kwartier lopen van ons tijdelijke appartement in de hoofdstad Mindelo. Langs de baai waar het ook om zes uur al behoorlijk druk was. Langs de jachthaven waar enkele luxe jachten verblijf hielden. Langs het haventerrein waar elke ochtend vele tientallen jonge mannen samenschoolden op zoek naar, dachten wij, het werk van de dag. Langs het strandje Laginha waar dagelijks half Mindelo zich aan het blauwe oceaanwater tegoed doet. Langs de fitness-apparaten waarop vele Mindeloërs zich dagelijks uitsloven. En intussen werd ik voorbijgesneld door vele hardlopers en snelwandelaars, ook om half 7 ’s morgens al, veelal met mobieltje in de hand. Verderop even van het water af en omhoog het eerste bergland in. Onderweg nog wat bouwsels van verscheidene aard, betonnen skeletten van huizen waar soms nog aan gebouwd werd, die soms voorlopig af leken al was het grootste deel nauwelijks nog bewoonbaar, en die soms nog voordat ze waren afgebouwd alweer in verval leken. Een paar honden die me nablaften. Om uiteindelijk een plateautje bijna recht boven zee te bereiken. Achter je een oud kanon. Rechts van je zicht op hoge, steile kliffen en een los kegeltje in zee aan de voet daarvan. Links achter je zicht op de baai en de haven en op Mindelo daarachter en de bergen rond Mindelo. Links voor je zicht op de eenzame rots als een reuzen-haaievin die de monding van de baai van Mindelo bewaakt. En recht voor je, schemerend aan de overkant, zicht op het hoge bergland van Santo Antão, waar de toppen af en toe boven de wolken uitsteken.
Dit was de plek waar ik al op mijn tweede ochtend in Kaapverdië een roodsnavelkeerkringvogel zag langs vliegen. Nog maar twee dagen onderweg en nu al de ‘Heilige Graal’ binnen. Want roodsnavelkeerkringvogel was natuurlijk mijn ultieme droomsoort deze vakantie. Het was weliswaar een juveniele vogel, zonder de verlengde staartpennen die de adulten sieren, maar dat mocht de pret niet drukken.
Een dag later zag ik op diezelfde plek een school dolfijnen vlak onderlangs zwemmen. Ook al zo’n onvergetelijke belevenis. Waarna we, de volgende ochtend, naar São Nicolau vertrokken. En ons daarna, na een kleine tussenstop op São Vicente, een week lang op Santo Antão vestigden. Beide waren geweldig. Ik zag er bruinnekraven, ik zag er visarenden die als echte zeevogels joegen boven zee, ik zag er renvogels en nog veel meer, maar een roodsnavelkeerkringvogel zag ik er niet.
De laatste paar dagen waren we terug in Mindelo en ging ik weer naar mijn favoriete uitkijkpost. Langs de jachthaven, langs het haventerrein, langs het strandje enzovoorts. En daar zag ik opnieuw de roodsnavelkeerkringvogel. De dagen erna zag ik er nog diverse, onder andere een fraaie adulte vogel met verlengde staartpunten ver achter zich aan wapperend die bovendien enkele spectaculaire duikvluchten ondernam. Blijkbaar is de zee-engte tussen São Vicente en Santo Antão een goede plek voor roodsnavelkeerkringvogel. Dat men dat maar weet.

 

Zeevogels

Op een avond stond ik bij Tarrafal op São Nicolau een uurtje aan zee: helemaal niets! Nog geen meeuw, nog geen stern! Een belevenis op zich. Maar toen ik er een andere keer de telescoop bij pakte, ontdekte ik al gauw ver boven zee de pijlstormvogels. Rustige vlucht, kalme vleugelslagen afgewisseld met glijmomenten aan licht gebogen vleugels: duidelijk Calonectrissen. Kuhls of scopoli’s pijlstormvogels die onder andere in het Middellandse zeegebied en langs de Atlantische kusten van het Iberisch schiereiland veelvuldig te vinden zijn. Kaapverdië heeft hiervan zijn eigen type, onlangs afgesplitst als aparte soort: kaapverdische pijlstormvogel. Ik zag ze vanaf São Nicolau, maar ook vanaf Santo Antão en vanaf de boot tussen São Vicente en Santo Antão. De afstand was soms net te groot en anders wel veel te groot om de subtiele kenmerken te zien die deze van de beide andere soorten onderscheiden. Maar mooi waren ze.
Zeevogels, dat is wel de ‘Core buiseness’ van Kaapverdië. Niet onlogisch, gezien de aard (eilanden) en de ligging (ver in de oceaan) van het land. Dat betekent niet dat je ze er altijd voor het oprapen hebt. Soms vliegt er hier helemaal niets boven zee. Maar als er iets vliegt, dan is het meteen een roodsnavelkeerkringvogel, of dan zijn het kaapverdische pijlstormvogels. Of, zoals enkele keren vanaf São Nicolau, een fraaie bruine gent, vermoedelijk afkomstig van het kleine Razo dat schemerde aan de horizon. Bruine gent: ook al zo’n iconische soort, zo’n soort waar ik vooraf al van gedroomd had. Dicht onder de kust zag ik ze foerageren boven de oceaan. Fantastisch!
Nog zo’n soort: bulwers stormvogel! Tot voor kort nooit gedacht dat ik die ooit in het echt zou zien, maar vanaf de boot van São Vicente naar São Nicolau vlogen er ineens twee vlak naast ons: geheel donkerbruine stormvogels met lange, min of meer afgeronde vleugels en relatief lange staart.
Het met de zeevogels zoals met alle vogels in Kaapverdië: je zag er weinig, maar die je zag …

 

Zeldzaam op Kaapverdië

Drie weken Kaapverdië heeft me dus een aantal ware droomsoorten opgeleverd. Roodsnavelkeerkringvogel, bruine gent: vogels waarvan je heerlijk kunt wegdromen, zowel in de maanden voorafgaand aan de vakantie als in de weken erna. Of rosse woestijnleeuwerik en renvogel: die waren het begrip droomsoort ver voorbij want daarvan had ik niet durven dromen. Rosse woestijnleeuwerik kwam op de eilanden die we zouden aandoen helemaal niet voor. Maar de paar uurtjes daglicht die we hadden op Sal, in afwachting van ons vliegtuig naar São Vicente, bleken voldoende. Ik zwierf wat door een stukje halfwoestijn naast het vliegveld, kaapverdische mus, kleine monarchvlinder en ineens waren ze daar, vlakbij: drie rosse woestijnleeuweriken. Duidelijk zichtbaar de rossige tinten op staart en handpennen en de scherpe zwarte uiteinden van de staart en de vleugels. Voor gewone mensen misschien een saai beest maar voor mij een fantastische bonus.
Maar echt schokkende soorten waren het natuurlijk niet. Ze zijn daar niet zeldzaam dus dat je ze een keer ziet is niet heel verrassend. Dat was al anders bij die renvogels op São Nicolau. We reden op een onverhard weggetje toen ik ineens beweging zag in de zee van keien. ‘Stop!’ riep ik naar de chauffeur. Hij stopte, ik keek, en toen ging er iets van 220 volt door me heen. De Helm schrijft over renvogels: ‘Status on São Nicolau requires clarification’. Ik zou haast zeggen: bij deze. Er waren op Observado geen eerder meldingen van de soort op dit eiland maar deze mochten er zijn: prachtig foeragerend tussen de keien in die kale steenwoestijn.
Zo had ik nog een paar waarnemingen die, als je kijkt naar wat de Helm Field Guide ervan zegt of wat er op Observado is ingevoerd, interessant leken. Neem de huiszwaluw. Helm: ‘Scarce and irregular passage migrant’. Niet meer dan zes eerdere meldingen op Observado. Voor wat het waard is, want wellicht zal niet iedere Europeaan die in Kaapverdië gaat vogelen met keerkringvogels en bruine genten in gedachten, een huiszwaluw invoeren. Hoe dan ook, ik had er bij Tarrafal op São Nicolau en bij Ponta do Sol op Santo Antão. En zwarte wouw: ‘Restricted to Santiago and Maio, and possibly still extant on Brava and São Vicente. Formerly more common but now rare or extinct on many islands. A recent survey in 1999 failed to locate it on any of the islands mentioned above, and located just one bird, on Boavista’. Aldus Helm. Toch diverse gezien bij Tarrafal op Sao Nicolau. Op Observado de eerste meldingen van de soort op het eiland.
Of turkse tortel: volgens Helm alleen op Madeira en de Canarische eilanden en dus niet in Kaapverdië. Op Observado overigens wel een aantal meldingen dus uniek was mijn vogel in de waterberging bij Mindelo, São Vicente, niet. Erop gelijkende ‘African collared dove’ lijkt overigens nog veel onwaarschijnlijker en wordt op Observado helemaal niet gemeld voor Kaapverdië. Sowieso zag ik niets aan de vogel dat niet klopte voor turkse.
In die waterberging, enkele aangelegde plasjes tussen smalle dijkjes voorbij een kurkdroge steppe even buiten Mindelo, vond ik ook een koereiger. Vanaf een uitkijkplek binnen de hekken (ik werd als het ware naar binnen gewenkt), zag ik dat het er zelfs drie waren. Nee: vijf; nee: zeven! Elke keer dat ik keek, leken het er wel meer geworden en uiteindelijk telde ik er, vanaf de andere kant van het gebiedje, minimaal 18 bijeen. Die zijn blijkbaar niet erg zeldzaam in Kaapverdië.
Drie gevallen lijken me speciaal het vermelden waard. Boven Tarrafal op São Nicolau zag ik op 24 en op 28 juli twee alpengierzwaluwen. De helm zegt daarover: ‘Six records of which five in 1997′. Maar ook: ‘Perhaps occurs more regularly than records suggest’. Hoe dan ook nog geen enkele eerdere melding voor Kaapverdië op Observado. Determinatie staat wat mij betreft niet ter discussie: grote gierzwaluw met strak-witte onderzijde en donkere keelband. Klassieke vogel zoals ik ze ook ken uit de Alpen en hier en daar in Zuid-Europa.
Heb ik nu iets zeldzaams gezien? vroeg ik me af. En dat vroeg ik me nog veel harder af toen ik op 31 juli in de Ribeira Grande, bij Coculi op Santo Antão, die kleine zilverreiger met gele snavel zag. Die snavel leek me ook minder fijn, minder dun dan ik ze van kleine zilverreiger ken. De poten waren zwartgrijs, inclusief de tenen, en de vogel had ook geen afhangende kuifveren. Hij was veel te groot en had een veel te lange, dunne nek voor koereiger, wat natuurlijk mijn eerste gedachte was maar waar-ie sowieso eigenlijk helemaal niet op leek, maar kwam weer niet in de buurt van grote zilverreiger, overigens razend zeldzaam in Kaapverdië. Ik kon maar tot één conclusie komen: middelste zilverreiger. De Helm zegt daarover: ‘Vagrant with eight records, all from Cape Verde’. In Observado drie eerdere gevallen, alle op Santiago.
En dan vond ik nog op 6 augustus in de waterberging bij Mindelo een kleine geelpootruiter. Die is wellicht in Kaapverdië minder zeldzaam dan bij ons maar moet ook daar een trans-Atlantische gast zijn. Volgens Helm ‘seven recent records’ en op Observado zes gevallen. Best zeldzaam dus. Maar ook deze wat mij betreft onmiskenbaar: een klein, rank ruitertje, maatje kleiner dan de groenpootruiters in zijn gezelschap, met knalgele poten, fijn, relatief kort snaveltje, nauwelijks zichtbare wenkbrauwstreep, donker grijsbruine bovendelen en recht afgesneden wit op stuit en staart.
Dat zijn dus drie voor Kaapverdië schijnbaar behoorlijk zeldzame soorten in drie weken. Zelf gevonden. Dat lijkt bijna teveel van het goede. In Nederland vind ik nooit iets. Aannemelijker lijkt me dan ook, dat ze minder zeldzaam zijn dan gedacht. Er valt, denk ik, nog heel wat te ontdekken in Kaapverdië. Erg leuke soorten blijven het overigens, hoeveel er ook de komende jaren nog ontdekt gaan worden.

Inmiddels heb ik contact gehad met Cornelis Hazevoet, die het voorkomen van vogels in Kaapverdië monitort en regelmatig rapportages publiceert over de zeldzame vogels op de eilanden. In zijn eentje lijkt hij zo’n beetje de zeldzaamhedencommissie van Kaapverdië te vormen. Hij schreef me onder andere: ‘Middelste zilverreiger, lepelaar en kleine geelpootruiter zijn tegenwoordig regelmatige bezoekers van de eilanden en worden niet meer opgenomen in de rapportages. Zoals verwacht mocht worden zet de westelijke expansie van turkse tortel zich voort en de soort is inmiddels waargenomen op Sal, Boa Vista, Santiago, São Nicolau en São Vicente. Wouwen worden steeds zeldzamer in Kaapverdië en waarnemingen zijn dus altijd van belang. Wel is er de afgelopen jaren een geringe toename van waarnemingen van zwarte wouw, maar het is onduidelijk of dit lokale vogels betreft of trekvogels uit het noorden.
Als je het goedvindt zal ik wel de alpengierzwaluwen opnemen in het volgende rapport.’ Mijn waarneming was, aldus Cornelis, pas het eerste geval sinds 1997! Dat mag je echt zeldzaam noemen.