Sjef ten Berge schreef:
Onder een grijze lucht maar met windkracht 4 in de rug waren we binnen een half uur op ons afgesproken parkeererf. Twee dappere fietsende deelnemers arriveerden tien seconden later. Timing als kunst en vliegwerk.
Net bijtijds uitstappen leverde een rondkruisende boerenzwaluw op en even later in het grasland voor ons een gele kwikstaart. Niet bepaald een bescheiden begin. Een lange afwaterring was goed voor wilde eenden, ’n slobeend, krakeenden en een viertal wintertalingen. Kinderspel vergeleken met wat zich boven onze hoofden in de vrije ruimte afspeelde. Eén groot netwerk van sociaal vocale grutto’s. Ze hadden het erg druk met elkaar en sommigen maar een beetje met ons. Ze kwamen overigens niet snel tot zaken en daardoor bleef dat koor de hele anderhalve kilometer wandeling boven ons hoofd netwerken. De buren en de buren van de buren en zo verder. Netwerken was hun lentespel.
Toen we daar aan dreigden te wennen werkten de veldleeuweriken er hun hangende zang tussendoor en konden we ook de snijdende piepjes en typische vlucht van de graspiepers meekrijgen. Op een gezellig drassig moeraseilandje kwam een vluchtje kemphanen binnen. Het leek wel een gemengde groep, maar binnen die groep zaten toch een paar krijgshaftige exemplaren die in de achtervolging gingen. Bij zoveel schouwspel waren de verspreid aanwezige tureluurs de meest bedaarde weilandgangers. Dat is wel eens anders.
Naar het westen wandelend viel de steeds verspreide aanwezigheid van smienten op. Bij elkaar vele tientallen en ineens was daar een zomertaling man. Die had het niet begrepen op onze groep. Ook al was de afstand zeker 150 meter hij manouvreerde zich schuifelend achter een pol vegetatie. Jammer want het zou de enige van deze soort blijven deze ochtend. Op dezelfde manier kwam een uur later een in het riet invallende blauwborst in beeld. Ook nooit meer gezien daarna. Wel een blauwborstkenmerk van koude lenteochtenden.
Ongeveer halfweg, met stevige wind in de rug, hadden we intussen een paartje kluten op zien vliegen en een kleine plevier opgespoord. Hij keek naar ons alsof hij de groep aan het tellen was. Die belangstelling was totaal afwezig bij de slechtvalk die een meeuw, waarschijnlijk een kokmeeuw aan het afpellen was.
We zagen door de wind een baan van veertjes in het gras aangroeien tot een meter of vijf à zes. Uitzicht op zo’n zaterdagochtend ontbijt kom je niet elke dag tegen. We bleven een kwartier herkauwen.
Bij de nederzetting Nekkeveld speuren naar de steenuil. In de wind zitten heeft nooit z’n voorkeur, maar je weet het maar nooit. Het was nooit. Intussen hadden we de grutto’s achter ons gelaten maar waren we van de regen in de drup gekomen door geblaf van duizenden brandganzen. De blafroepjes vulden de lucht en regelmatig gingen er ook groepen op de vleugels. Eén keer massaal, uiteraard met veel geruis om de aandacht te vestigen op een overkomende zeearend. Toen de rust terug was ontdekten we zelfs een roodhalsgans in het gezelschap.
Omhoog de dijk op en richting oost wandelen om in de rietveldjes binnen- en buitendijks de rietzanger, blauwborst, Cetti’s zanger en rietgors tegen te komen. Alleen de blauwborst, die er wel was, liet zich niet zien of horen. Een deelnemer die via de parkeerplaats van het gemaal bij de groep kwam kon nog een grote zaagbek melden in het water rond het gemaal. De meeuw op de palissaden in het water was een Pontische meeuw. Met zoveel moois konden we de terugweg tegen de straffe wind in best aan.


